De Nederlandse musical (emancipatie van een fenomeen)


Geplaatst in boekrecensie op . Gepubliceerd in: Het Parool 12 februari 2019

 

‘Musicalproducenten overspoelen de markt met afgelebberde importrevivals. De kaartjes voor een musical zijn veel te duur in verhouding tot de geboden kwaliteit. Musical is niet meer dan een gezellig bedrijfsuitje met diner, waarbij je gek wordt van de opdringerige merchandising. Musicals zijn kitscherig, met een onbenullig verhaaltje dat maar niet opschiet, omdat er telkens gezongen en gedanst moet worden, en daarbij wordt er ook nog matig gezongen en slecht geacteerd.’
Tot zover de musicalhaters, die liever naar een degelijk toneelstuk, de opera of een arthouse-film gaan en het chic vinden om hun vooroordelen in stand te houden.
Maar zelfs binnen de eigen musicalkring hoor je soms een narrig geluid. Zo klaagde musicalproducent Robin de Levita in 2016 nog tegen de Volkskrant (vlak voordat zijn 3D-musical Sky flopte) dat musicals in Nederland vaak traditioneel zijn en niet veel verder komen dan ‘een hoge noot halen, een dansje en leuke kindertjes.’
Kortom, er is nog een hoop missiewerk te verrichten voordat musical als theatergenre in Nederland net zo serieus wordt genomen als in Engeland en de Verenigde Staten. Met het boek De Nederlandse musical. Emancipatie van een fenomeen zet Bart Dieho een serieuze stap in die richting. In stevige hoofdstukken over de geschiedenis van de Nederlandse musical, theorie, dramaturgie, educatie en kritiek, en heldere interviews met sleutelfiguren als componist Henny Vrienten en producent Fred Boot, wordt aangetoond dat ook de musical in Nederland inmiddels volwassen is en ten onrechte niet door iedereen voor vol wordt aangezien. Die nogal neerbuigende houding bestaat niet bij het publiek, dat massaal musicals bezoekt, maar bij mensen die de gedateerde indeling hoge en lage kunst hanteren en musical zonder al te veel kennis van zaken in de laatste categorie plaatsen.
In het historische deel komt Dieho via de ‘voorlopers’, met volksmusicals als Bleeke Bet (1917) en De Jantjes (1920), en de ‘overgangsfase’ met enkele cabareteske producties van Wim Sonneveld, waaronder Artiestenpension (1951) tot de echte geboorte van de Nederlandse musical met Heerlijk duurt het langst van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink uit 1965. Nog belangrijker dan de eigen Nederlandse aanloop is de succesvolle Nederlandse versie van My Fair Lady, een initiatief van Wim Sonneveld die deze musical op Broadway had gezien.
Annie M.G. Schmidt werd gevraagd om een volgende Broadway-hit te vertalen. Zij beweerde niet zoveel op te hebben met de Amerikaanse ‘mjoezikul’, maar wilde er wel met haar eigen ideeën een Nederlandse draai aan geven. In Heerlijk duurt het langst zien we meteen een aantal karakteristieken van veel musicals van eigen bodem. Terwijl Amerikaanse en Engelse musical creatives vrijwel altijd vertrekken vanuit de muziek is voor Nederlandse makers de tekst het uitgangspunt, waarbij wordt aangehaakt aan de Nederlandse cabarettraditie. Na Schmidt zetten het duo Jos Brink/Frank Sanders (met veel showelementen), Seth Gaaikema, Guus Vleugel, Lennaert Nijgh en Ivo de Wijs die cabaretlijn voort.
Vanaf Schmidt zijn de succesvolle musicals onderdeel van de nationale verbeelding en zeggen daarmee veel over de Nederlandse identiteit. In Heerlijk duurt het langst krijgen we een familiebeeld uit de jaren zestig met een opstandige puber, overspel en gastarbeiders. Die sociaal-cultureel-historische achtergrond vinden we ook terug bij een ellenlange lijst originele Nederlandse producties, waaronder Ciske de Rat, Op Hoop van Zegen, Petticoat, Hij gelooft in mij (over André Hazes), en natuurlijk Soldaat van Oranje, de grootste klapper ooit, die inmiddels al negen jaar uitverkocht is. Ook voor Nieuw Amsterdam, de opvolger van Soldaat van Oranje graaft producent Fred Boot weer in de Nederlandse geschiedenis.
Met inzicht en durf heeft Joop van den Ende, die speciale musicaltheaters heeft neergezet, de musical in een sneltreinvaart volwassen gemaakt. Terwijl in de jaren zestig geen artiesten te vinden waren die de drie musicalonderdelen acteren-dans-zang onder de knie hadden, springen de theateropleidingen er nu op in, ook al leggen die vaak nadruk op een van die drie vaardigheden. In de VS verlangt men van studenten inmiddels dat ze naast de drie basisvaardigheden ook nog een vierde talent ontwikkelen: een instrument bespelen, schrijven of componeren, de zogenaamde quadruple threat.
Waar Nederland nog structureel achterloopt in vergelijking met Engeland en de VS is de bereidheid van gevestigde regisseurs en acteurs om de hiërarchie tussen toneel en musical los te laten. In Engeland kan een acteur het ene moment in een Shakespeare staan en daarna in een Andrew Lloyd Webber of Sondheim musical. Daar worden musicals door theatercritici in de vakbladen net zo uitvoerig en serieus geanalyseerd als toneel.
Ivo van Hove, die de Broadway versie van de David Bowie musical Lazarus heeft geregisseerd en dat ook in Amsterdam gaat doen, behoort tot de zeldzame uitzonderingen. Het droombeeld van de auteurs van De Nederlandse musical is het samenvoegen van de gala’s waarop de toneel- en musicalprijzen worden uitgereikt.

De Nederlandse musical. Emancipatie van een fenomeen.
Bart Dieho (red.), Sanne Thierens, Sandra Verstappen en Jeroen van Wijhe
Uitgeverij International Theatre and Film Books
€ 29,90